GV E-Techniek
Rosbayerweg 1
1521 RW WORMERVEER
tel: 075 - 6475 400

Bestaande elektrische installaties, NEN-EN 50110-1 / NEN 3140

Richtlijnen, wetgeving, besluiten en zakelijke overeenkomsten verplichten eigenaren en gebruikers van elektrische installaties ertoe om verantwoordelijkheid te nemen inzake het in stand houden van veilige elektrische installaties. Een periodieke inspectie van de elektrische installatie geeft hier een invulling aan, waarbij wordt gecontroleerd of de elektrische installatie tenminste nog voldoet aan de technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften zoals deze golden ten tijde van aanleg van de elektrische installatie.

Bedrijfsvoering
Wel of niet verplicht
Omvang van de periodieke inspectie
Tijd tussen twee opeenvolgende inspecties
De verantwoordelijken binnen een organisatie

Bedrijfsvoering
De bedrijfsvoering van elektrische installaties is geregeld in de normen NEN-EN 50110-1 (= de algemene Europese bepalingen) en NEN 3140 (= de aanvullende Nederlandse bepalingen).
Onder bedrijfsvoering wordt verstaan alle handelingen, met inbegrip van de werkzaamheden, die noodzakelijk zijn om de elektrische installatie onder normale en onder abnormale omstandigheden te kunnen laten functioneren.
Een periodieke inspectie van de elektrische installatie maakt deel uit van de bedrijfsvoering en heeft als doel om gebreken te ontdekken die een juiste werking kunnen belemmeren of een onveilige situatie kunnen veroorzaken.

Wel of niet verplicht
In hoeverre een periodieke inspectie van de elektrische installatie conform NEN-EN 50110-1 / NEN 3140 kan worden verplicht is afhankelijk van de situatie waarin en op wat voor een manier deze normen worden aangewezen. Dit kan zijn in een:

  • wet of in een besluit waarin door de wetgever het toepassen van de normen wordt geëist
  • zakelijke overeenkomst waarin het toepassen van de normen wordt voorgeschreven

Er komen ook situaties voor dat de NEN 50110-1 / NEN 3140 niet via een wet, besluit of een zakelijke overeenkomst worden aangewezen, maar dat in plaats hiervan:

  • het vermoeden bestaat dat bij het toepassen van de normen NEN 50110-1 / NEN 3140 wordt voldaan aan (in wetgeving) algemeen geformuleerde essentiële eisen
  • (in wetgeving) wordt gesteld dat rekening moet worden gehouden met de erkende regels der techniek

Praktijkvoorbeelden waarin een periodieke inspectie van de elektrische installatie is vereist of wordt voorgeschreven zijn:

  • verzekeraars welke in hun polisvoorwaarden clausules opnemen waarin wordt voorgeschreven dat de elektrische installatie periodiek moet worden gecontroleerd conform NEN 50110-1 / NEN 3140. Met name in gebouwen-, bedrijfsschade-, en brandverzekeringen kunnen dit soort clausules zijn opgenomen. Gekort worden op het uit te keren bedrag of erger nog, helemaal geen uitkering ontvangen kan het gevolg zijn als bij het claimen van een schade blijkt dat er geen of een onjuiste periodieke inspectie is uitgevoerd
  • gebruikersvergunningen welke worden afgegeven door overheidsinstanties. Het voldoen aan de, in de gebruikersvergunningen opgenomen, voorwaarden heeft als doel de kans op brand en de kans op ongevallen bij brand te verkleinen. Hierin kan worden verwezen naar de normen NEN-EN 50110-1 / NEN 3140 en daardoor is een periodieke inspectie ook in deze gevallen onvermijdelijk
  • beleidregels welke verband houden met de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). In de beleidregels staan namelijk omschreven hoe kan worden voldaan aan de besluitregels. De normen NEN 50110-1 / NEN 3140 worden in deze beleidregels genoemd. Alhoewel de beleidregels geen wettelijke status hebben is het opvolgen hiervan wel raadzaam omdat bij het juist toepassen van de beleidregels tenminste wordt voldaan aan wat er wordt gesteld in de besluitregels, welke wel een wettelijke status hebben
top

Omvang van de periodieke inspectie
Er moet in gedachten worden genomen dat een brandverzekeraar met het voorschrijven van een periodieke inspectie andere doelstellingen nastreeft dan een periodieke inspectie welke moet worden uitgevoerd in het kader van de arbeidsomstandighedenwet. Het zijn daarom de omstandigheden die mede bepalen waaruit een periodieke inspectie dient te bestaan en welke omvang deze dient te hebben.

In NEN-EN 50110-1 / NEN 3140 bepaling 5.3.3.101.4 staat precies omschreven wat er moet worden gecontroleerd. De daarbij behorende toelichtingen 5.3.3.101.4.1 en 5.3.3.101.4.2 geven een invulling daaraan. Het kan dan bijv. gaan om het controleren van:

  • de circuit-, en net impedantie
  • de juiste werking van veiligheidsketens
  • de veilige scheiding tussen stroomketens
  • de isolatieweerstand in elk gedeelte van de installatie
  • het juist gebruik, gelet op de omgevingsomstandigheden
  • de aanspreekstroom en afschakeltijd van aardlekbeveiligingen
  • het niet onderbroken zijn van de beschermingsleidingen en hun aansluitingen
  • elektrisch materieel of deze tenminste in overeenstemming is met de installatie eisen
  • de goede werking van uitschakelcontacten van schakelende beveiligingstoestellen

Tijdens een periodieke inspectie van de elektrische installatie dient rekening te worden gehouden met de technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften zoals deze golden ten tijde van aanleg van de elektrische installatie. Het gaat hierbij dan niet alleen om normen, maar ook bijvoorbeeld om wettelijke voorschriften en/of voorschriften en aanbevelingen van leveranciers.
Echter, de mogelijkheid bestaat dat er wordt gekozen voor het toepassen van recentere technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften. Dit kan op vrijwillige basis gebeuren maar eventueel ook worden verplicht door wetgeving of omdat partijen dit zijn overeengekomen in zakelijke overeenkomsten. Een voorbeeld van een situatie waarbij wetgeving bepaald welke norm moet worden toegepast is hieronder beschreven:

Bij een inspectie van een elektrische installatie, welke is aangelegd in 1956 conform N 1010 en daarna niet meer is gewijzigd, mogen niet de technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften worden gehanteerd zoals deze zijn omschreven in N 1010. In de Regeling Bouwbesluit 2003, afdeling 1.3 art. 1.4 lid 1 staat namelijk omschreven dat elektrische voorzieningen van bestaande bouwwerken moeten voldoen aan NEN 1010.
Welke uitgave hierop van toepassing is wordt bepaald via bijlage I waarin naar afdeling 1.2, artikel 1.2 lid 1 wordt verwezen. Volgens bijlage I moet hierbij NEN 1010:2007 inclusief correctieblad C1:2008 worden gehanteerd.
Omdat vroeger andere technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften golden dan nu het geval is, zijn in NEN1010:2007+C1:2008 notities opgenomen waarin staat omschreven hoe met deze verschillen om te gaan.

De resultaten van een inspectie moeten worden vastgelegd middels een rapportage.
GV E-Techniek B.V.hanteert hierbij z'n eigen standaard inspectierapporten. Het behoort echter ook tot de mogelijkheden om de inspectierapporten aan te passen aan de wensen van de opdrachtgeve of gebruik te maken van andere (standaard) inspectierapporten.

GV E-Techniek is van mening dat een goed beheer van de elektrische installatie de veiligheid vergroot. Een periodieke inspectie behoeft zich niet alleen te beperken op het controleren of een elektrische installatie nog voldoet aan de technische voorschriften en veiligheidsvoorschriften.
Ook het beoordelen van beheeractiviteiten kan van belang zijn. Dit speelt niet alleen een rol bij het bepalen van de inspectiefrequentie tussen twee opeenvolgende inspecties, maar ook voor het kunnen waarborgen van de veiligheid tot de volgende periodieke inspectie.
top

Tijd tussen twee opeenvolgende inspecties
De tijdsinterval tussen twee opeenvolgende inspecties kan worden bepaald via een risicoanalyse. Het is echter ook mogelijk dat de tijdsinterval tussen twee opeenvolgende inspecties is vastgesteld en daarbij is vastgelegd in een zakelijke overeenkomst. Enkele voorbeelden:

1)
Voor wat betreft de risicoanalyse geldt dat de tijdsinterval tussen twee oplopende inspecties afhankelijk is van het gebruik en de toestand van de installatie. Door gebruik te maken van de methode zoals beschreven in bijlage V van de NEN 3140 kan de tijdsinterval tussen twee oplopende inspecties komen te liggen op een tijd variërend van 1,5 tot 14 jaar.
2)
Partijen kunnen zijn overeengekomen dat de elektrische installatie periodiek moet worden geïnspecteerd waarbij de tijdsinterval tussen twee opeenvolgende inspecties is vastgesteld en opgenomen in de voorwaarden of clausules. Als in de voorwaarden of clausules geen vastgestelde tijdsinterval is opgenomen, maar verwezen wordt naar de NEN-EN 50110-1 / NEN 3140 dan kan gebruik worden gemaakt van een risicoanalyse.
3)
Een tijdsinterval tussen twee opeenvolgende inspecties kan ook worden vastgesteld door de fabrikanten van elektrisch materieel. In garantievoorwaarden, onderhoudsinstructies of richtlijnen, behorende tot het elektrisch materieel, kunnen hierover eisen zijn opgenomen. Het behoort evenwel tot de mogelijkheden dat een installateur van nieuwe installaties een inspectietermijn aangeeft.

Het zal duidelijk zijn dat de tijdsinterval, waarbij de tijd tussen twee oplopende inspecties het kortst is, moet worden gehanteerd. Belangrijk hierbij is dus dat degene die belast is met het bepalen van de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties op de hoogte is van dit soort overeenkomsten en voorwaarden.

Overigens is het wel zo dat voor elk onderdeel van de installatie een afzonderlijk tijdsinterval mag worden vastgesteld.
top

De verantwoordelijken binnen een organisatie
Volgens de NEN 50110-1 / NEN 3140 moeten in organisaties waar personeel wordt betrokken bij de bedrijfsvoering van de elektrische installatie, de elektrische installatie onder de verantwoordelijkheid van één persoon worden geplaatst. Dit is veelal de installatieverantwoordelijke.
Artikel 3, lid 3 van de Arbeidsomstandighedenwet geeft namelijk aan dat de werkgever bevoegdheden en verantwoordelijkheden mag overdragen aan anderen, dus zo ook de directe verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering van de elektrische installatie. Een installatieverantwoordelijke is een persoon welke in een organisatie is aangewezen als direct verantwoordelijk persoon voor de bedrijfsvoering van de elektrische installatie. Deze persoon dient kennis te bezitten van elektriciteit en de gevaren daarvan te kunnen onderkennen op een niveau dat tenminste voldoet aan niveau 4 volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB).

In NEN 50110-1 / NEN 3140 bepaling 5.3.3.101.3 is omschreven dat de installatieverantwoordelijke de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties moet bepalen. Eveneens moet de installatieverantwoordelijke bepalen wat en hoe er moet worden geïnspecteerd.
Is er niemand aangewezen als installatieverantwoordelijke dan is de werkgever direct verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de elektrische installatie. De werkgever dient dan zorg te dragen voor het (laten) bepalen van de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties en het (laten) bepalen wat en hoe er moet worden geïnspecteerd.
Indien de werkgever zelf deze taken op zich neemt dan dient deze dus kennis van elektriciteit te bezitten en de gevaren daarvan te kunnen onderkennen op een niveau dat tenminste voldoet aan niveau 4 volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB).
Voldoet de werkgever niet aan deze criteria en in de organisatie is geen installatieverantwoordelijke aan te wijzen dan verdient het de voorkeur om een extern bureau, zoals GV E-Techniek in te schakelen die de eerder genoemde taken op zich kan nemen.

Certificaat

top